Polscyste

WAT IS EEN POLSCYSTE?

Een polscyste is een lokale verzwakking in het kapsel van het polsgewricht. Elk gewricht maakt een kleine hoeveelheid vocht aan, welke in het gewricht wordt gehouden door het omringende kapsel. Ter hoogte van een lokale verzwakking kan een uitstulping ontstaan en een cyste vormen onderhuids.

De pijn ontstaat ten gevolge van het volume effect van de cyste en de lokale irritatie op langsliggende plooi- of strekpezen van de vingers.

 

HOE STELLEN WE DE DIAGNOSE?

 

De diagnose is voornamelijk een klinische diagnose waarbij er een fijn afgelijnde lokale zwelling optreedt op een plaats, gekend typisch te zijn voor een polscyste. De pijn wordt voornamelijk uitgelokt bij polsbewegingen, voornamelijk bij het afduwen van een tafel.

Afhankelijk van de ernst en klinische duidelijkheid kan aanvullend een echografie of MRI genomen worden om de aanwezigheid en oorsprong van de polscyste te bevestigen en andere letsels uit te sluiten.

 

WAT ZIJN DE BEHANDELINGSMOGELIJKHEDEN?

  • Immobilisatie met brace

Bracing kan zinvol zijn om de zwelling te laten verminderen en de pijnlijke bewegingen te vermijden. Vaak echter betreft het een tijdelijke ontzwelling, welke terug toeneemt bij toename van activiteit en bewegingen.

  • Inspuiting

Een inspuiting met cortisone na leegzuigen van de cyste kan geprobeerd worden. Ook hier echter bestaat een vrij grote kans op opnieuw vollopen van de cyste met gewrichtsvocht en heroptreden van de klachten.

  • Operatie

De definitieve behandeling voor een polscyste (of na falen van voorgaande conservatieve therapie) is het chirurgisch verwijderen van de cyste ter hoogte van de pols. Hierbij wordt de cyste verwijderd en de oorsprong of basis van de cyste mee verwijderd. De ingreep kan enkel onder algemene verdoving plaatsvinden. Bij deze ingreep wordt een kleine insnede over het verloop van de cyste gemaakt.

 

FREQUENT GESTELDE VRAGEN

  • Wat kan ik verwachten na het verwijderen van een polscyste?

Bij het verwijderen van een cyste wordt een incisie gemaakt over het verloop van de cyste. De operatie gebeurt onder algemene verdoving, waarbij u kortstondig in een lichte slaap gebracht en direct na de ingreep wakker gemaakt door de anesthesist. Postoperatief wordt er een polsgips aangebracht gedurende twee tot vier weken, afhankelijk van de peroperatieve bevindingen. De draadjes worden na twee weken verwijderd. De wonde dient twee weken droog gehouden te worden. U mag uw hand volledig gebruiken voor dagdagelijkse zaken zolang de wonde droog en proper kan blijven. Klassiek wordt er postoperatief geen kinesitherapie voorgeschreven.

  • Wanneer kan ik werken / autorijden?

Normaal gesproken kan het werk hervat worden na een maand.

Autorijden kan zodra de gips is verwijderd, aangezien rijden met gips niet verzekerd wordt.

  • Wat zijn de risico’s?

Zoals bij elke chirurgische ingreep zijn mogelijke complicaties zwellingen/nabloeding in het operatiegebied, wondproblemen, overgevoeligheid van het litteken en infectie.

Een knellende gips kan ook klachten veroorzaken. Bij toename van pijn en/of tintelingen ter hoogte van de hand en vingers kan het raadzaam zijn de gips open te knippen en te lossen, gezien dit symptomen zijn van een knellende gips.

  • Wanneer neem ik vroeger contact op?

Bij toegenomen wonddrainage, zwelling/roodheid van de hand gepaard met pijn of koorts > 38,5°C zijn redenen om vroeger een consultatie aan te vragen of u aan te bieden op de spoedopname.

De pols is opgebouwd uit het uiteinde van het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna) aan de ene zijde, en de verschillende handwortelbeentjes aan de andere zijde. De pols zorgt ervoor dat de hand goed kan bewegen en goede steunname mogelijk is. Naast de beenderige structuren is de pols verder opgebouwd uit kapsel en een hele reeks gewrichtsbanden tussen de verschillende middenhandsbeentjes. De spieren die de pols aansturen liggen voor het grootste deel in de onderarm en zijn vastgehecht op verschillende plaatsen op de pols- of middenhandsbeentjes.

 

De hand op zich is een ingewikkelde structuur, welke we kunnen onderverdelen in drie zones: de handwortelbeentjes (carpalen), de middenhandsbeentjes (metacarpalen) en de vingers (falangen). De handwortelbeentjes of carpalen bestaan uit 8 verschillende beentjes georganiseerd in twee rijen. Ze zijn onderling via kapsel en gewrichtsbanden met elkaar verbonden. Zij vormen één geheel dat met het uiteinde van de voorarm de pols opbouwt en bewegingen van de pols mogelijk maken. De middenhandsbeentjes of metacarpalen maken het grootst deel van de hand uit en vormen de connectie tussen de handwortelbeentjes en de vingers. De vingers of falangen liggen in het verlengde van de handwortelbeentjes en zijn hieraan bevestigd met ligamenten en kapsel. De beweeglijkheid van de pols en de vingers wordt via strek- en plooipezen mogelijk gemaakt welke vanuit hun spieren in de voorarm vertrekken.

Doorheen de pols en hand verlopen drie belangrijke zenuwen: de medianus, ulnaris en radialis zenuw. Elke zenuw verzorgt een deel van de gevoeligheid en beweeglijkheid van de hand. Deze zenuwen kunnen gekneld zitten op verschillende plaatsen wat een ingreep kan noodzakelijk maken. Voorbeeld hiervan is een knelling van de medianus zenuw in de carpaal tunnel of een knelling van de ulnaris zenuw ter hoogte van de elleboog.